Kevin en Rufus

Kevin sleepte zijn zwaar beschadigde en tevens dode hond mee over de grond nadat zij getweeën in de Opel Astra uit 1988, het jaar waarin Nederland Europees kampioen werd, met hoge snelheid eenzijdig een boom hadden geraakt en vervolgens in de sloot belandden. De kerkklok sloeg acht keer en de gevatte lezer zou nu al geconcludeerd kunnen hebben dat het precies acht uur was, wat betekende dat Kevin te laat zou zijn voor het achtuurjournaal en wat ook verklaarde waarom Kevin zijn dode hond met zoveel haast op weg naar de dichtstbijzijnde woning over de grond meesleepte zodat hij het tweede item zeker nog zou kunnen beleven.

Kevin belde aan en het duurde hem direct al te lang. Dit feit deed hem besluiten om heel hard en vreemd hoog te gaan schreeuwen en te gaan slaan op de waarschijnlijk eikenhouten voordeur zonder raam. Niet lang daarna deed een getatoeëerde shirtloze man de deur open die ook niet lang na die handeling met een honkbalknuppel op het hoofd van Kevin sloeg en de de dode hond in een hoek van de gang smeet.

Kevin zweefde zeker een aantal dagen tussen leven en dood waarin hij nog mooie dagen met Rufus, de naam van zijn eerder overleden hond, beleefde in zijn dromen en Rufus liet apporteren dat het een lieve lust was.

Na het eerdere niet genoemde aantal dagen opende Kevin zijn ogen en Rufus danste door de kamer met een bot in zijn bek die zo groot was dat je het je bijna niet voor kon stellen. Kevin probeerde zich dan ook niet voor te stellen hoe groot het bot was om zich te kunnen vergewissen van de ernst van de situatie.

Rufus hinkte nog wat moeilijk maar leefde toch. Dit deed Kevin overtuigen om de trap op te lopen die de uitgang beloofde te zijn uit deze nare situatie. Kevin tilde Rufus op en liep de trap op, opende de deur en stond direct buiten. Zijn Opel Astra uit 1988, het jaar waarin Nederland Europees kampioen werd, stond met nieuwe velgen, verlaagd en met de tekst “no fear” op de voorruit op hem te wachten. De sleutel zat in het contact en Kevin reed samen met Rufus richting het westen de zonsondergang tegemoet. Over een uur zou het achtuurjournaal beginnen.

Vijf Rivella en twee bier

Liggende staanders in een zweem van nauwelijks blauw.
Geen seconde wijkend van de vloer.
Stevig waait de wind en heeft geen vat,
op alles wat er al stond.

Geel en zwart, geenszins kleurloos,
angstige parallellen trekken een spoor.
Van toen naar nu, geen stop, geen weg terug tot voor altijd.

Koude en warme scheuten,
hard als staal, vederlicht.
Bitter maar ook zoet, soms.

Grijzer dan deze dag, zwarter dan morgen. Verstikkend en beklemmend
Dag dag, hallo nacht.

Het is goed geweest.

Dominee Gramschap – De verstoorde preek

De voorruit was nog beslagen toen hij het dorp uit reed. De weg was leeg, de snelheid hoog. De zon liet zicht net boven de horizon zien. De vierde versnelling deed het niet goed, met de hand hield hij de pook in de versnelling terwijl as van zijn sigaret op de stoel viel. “Verdomme”, vloekte dominee Gramschap. Lees verder Dominee Gramschap – De verstoorde preek

De daas

De zon staat hoog in de lucht,
Warmte streelt mijn gezicht.
Geurende lentebloesem
Stelt gerust.

Waarom zou ik weggaan,
Waarom zou ik hier niet blijven staan.
De rust, de kalmte het zicht.
Gelukzalig is deze dag, deze plaats.

Geen drukte, geen werk
Hier kan ik altijd zijn.
Een zachte zoem streelt mijn gehoor,
Een scherpe steek in mijn slaap.

De daas kent mijn reactie,
Ik lig in de hei.
Word verteerd door de zon.

Walhert Kirgesius VI

Sollicitatie

Walhert was bang. Bang voor de stemmen, bang voor de blikken. Walhert lag half op de uitgezakte bank en staarde naar buiten.  Lichtjes en vlekken dansten voor het onscherpe beeld van de straat. Een akelige rilling verspreidde zich als een stroperige golf van prikkende naalden van zijn onderrrug tot zijn hoofdhaargrens. Een zeurende druk bouwde zich op achter zijn starende oogbollen. Walherts maag verkrampte en verspreide weeïge pijnscheuten over zijn onderbuik. Een paniek was zich aan het opbouwen. Hij zou uitgescholden worden. Hij zou vernederd en belachelijk gemaakt worden. Mannen in pak zouden hem uitlachen, recht in zijn verslapen gezicht. Mensen zouden wijzen en in volle verbazing blijven staren. Hij zou opdrachten krijgen die hij niet zou begrijpen. Er zouden vragen gesteld worden die hij niet kon beantwoorden. Hij zou zelfs niet kunnen antwoorden wat er in de koffie moest. Walhert zou stamelen. Als hij al koffie zou krijgen. Nee, hij zou geen koffie krijgen. Hij zou moeten blijven staan. In een hoek .

Walhert knipperde en de onscherpte transformeerde naar de grijze kale realiteit van de straat. Rechts naderde de kale man met de Jack Russel. Ditmaal met lange grijze jas met ceintuur.  De kale man met de Jack Russel keek altijd naar binnen. De man naderde. Walherts maag verkrampte nu scherp en pijnlijk. Poesie vloog onder de kast. Walhert keek weg maar voelde de blauwgrijze ogen van de man branden in zijn ziel. Walhert dook naar beneden. De man zou met zijn afkeurende blik als een infrarood zoeklicht de diepste emotie van Walhert bovenhalen. Kozijnen, banken en kasten zouden wijken voor de autoriteit van de niets ontziende lichtbundel. Het zoeklicht zal vrijbaan krijgen en Walhert naakt, gillend en spartelend doen oplichten te midden van een grote groep hoonlachende wezens.

Voorzichtig keek Walhert langs de bovenzijde van de bankkussens naar buiten. De man met de hond stond pal voor het raam en keek bezorgd naar binnen. Walherts pupillen krompen van angst. Hij schoot naar achteren en stootte zijn hoofd tegen de bijzettafel. In afgrijzen krabbelde Walhert maaiend met armen en benen achterwaarts. Walhert draaide zich om en kroop naar de keuken. Een spoor van dieprode bloeddruppels achterlatend.  Buiten begon het te regenen. De sollicitatie was inmiddels begonnen. De telefoon ging tweemaal. Walhert bleef vandaag in de keuken.